Gellicum |
|
![]() |
|
We vinden Gellicum voor het eerst genoemd omstreeks het jaar 983, als Gallinghem, in een oorkonde die de inkomsten van de abdij te Werden opsomt (Sloet, Oorkondenb. nr. 110). Het staat vast, dat de Heerlijkheid Gellicum enige eeuwen daarna tot de landen van het geslacht Van Arkel heeft behoord. Omstreeks 1270 kwam het, door een deling tussen de zonen van Johan, heer Van Arckel, in het bezit van Johan van Heukelom. Van een kasteel Gellicum is voor het eerst sprake bij het ontstaan van het leenregister. In 1326 wordt Gielles van Gellinchem beleend met "het Huis te Gellinchem en de Hofstadt met 8 mergen". Dit geslacht Gellinchem, dat vóór het jaar 1326 niet voorkomt, is hoogstwaarschijnlijk door bastaardij uit Arckel ontsproten en zodoende ook aan dit bezit gekomen, waarvan het vervolgens de naam heeft aangenomen. Ook het wapen is een bewijs daarvoor. Voerde Arckel in zilver twee beurtelings gekanteelde dwarsbalken in rood (zie ook Het wapen van Acquoy), Gellinchem had tot wapen: in blauw twee beurtelings gekanteelde dwarsbalken van goud (Heraldische Bibl., 1873, blz. 7). |
|
| << terug naar de kaart |